Iconische buurtmakers
Wie heeft er een blijvend stempel gedrukt op de samenlevingsopbouw? Grondleggers en voortrekkers zijn belangrijk voor de ontwikkeling van een vakgebied. In deze serie, oorspronkelijk gepubliceerd op Buurtwijs, portretteert Henk Krijnen buurtmakers die op een eigenzinnige en unieke manier hun sporen hebben verdiend.
WIL VAN DE LEUR
Wil van de Leur behoort tot de belangrijkste vernieuwers van de Nederlandse samenlevingsopbouw. Ruim veertig jaar lang zet hij zich in voor de ontwikkeling van het opbouwwerk. Deze zelfstandige professie is volgens hem onmisbaar voor een democratische samenleving. Als opbouwwerker, directeur en inspirator legt hij het fundament onder een landelijke kennisinfrastructuur en een sterke beroepsgroep. Hij heeft één leidende gedachte: krachtige buurten ontstaan niet vanzelf, maar vragen om actieve bewoners én om professionals die gemeenschappen helpen zich te organiseren.
Van de Leur wordt op 1 juni 1944 geboren in een Maastrichts middenklassengezin en groeit op in de naoorlogse jaren, toen de herbouw van steden en dorpen vooral over stenen leek te gaan, en veel minder over de mensen die er woonden. Na de mulo in Eindhoven kiest hij voor de sociale academie in diezelfde stad. Vanaf 1963 volgt hij er de opleiding cultureel werk, met als afstudeerrichting opbouwwerk - destijds nog een volstrekt nieuwe specialisatie.
Tijdens zijn studie doet hij bij Philips onderzoek naar de scholing van werkende jongeren. Wat hij in de fabriek ziet - jongeren met weinig kansen die weinig zeggenschap hebben over hun eigen toekomst - zet hem aan het denken. Dat besef laat hem niet meer los en wordt de voedingsbodem voor alles wat volgt.
In de frontlinie
Van meet af aan ziet Van de Leur bewonersparticipatie en opbouwwerk als twee kanten van dezelfde medaille. Bewoners kunnen veel voor elkaar krijgen, maar duurzame verandering vraagt om deskundige begeleiding en professionele continuïteit. Die gedachte wordt de rode draad door zijn hele loopbaan.
Met zijn diploma van de sociale academie amper op zak toont Van de Leur meteen een staaltje lef. In 1967, 23 jaar oud, begint hij als opbouwwerker in de Transvaalwijk in Leeuwarden - een karakteristieke arbeiderswijk die dreigt te verdwijnen onder de slopershamer. Net als in veel andere Nederlandse steden geldt grootschalige sloop als dé oplossing voor verouderde volkswijken. Van de Leur denkt daar anders over.
In plaats van mee te gaan in het heersende sloopdenken helpt hij bewoners zich te organiseren. Hij zorgt dat hun belangen zichtbaar worden en strijdt ervoor dat ze een als een gelijkwaardige gesprekspartner van de gemeente worden beschouwd. Zijn aanpak werkt. De Transvaalwijk wordt een voorbeeld van moderne stadsvernieuwing. Bewoners voorkomen niet alleen de afbraak van hun buurt, ze krijgen ook greep op de renovatie van hun huizen. Precies hier toont Van de Leur voor het eerst zijn grootste talent: hij spreekt niet namens bewoners, hij zorgt dat bewoners zelf gehoord worden.
Elf jaar lang blijft hij het gezicht van het opbouwwerk in Leeuwarden. Onder zijn leiding groeit de stad uit tot een landelijke proeftuin voor wijkgericht werken. Tegen het einde van de jaren zeventig heeft vrijwel elke Leeuwarder wijk een eigen fulltime opbouwwerker. Toeval is dat niet: het past precies bij Van de Leurs opvatting dat bewonersparticipatie alleen slaagt als er stevige professionele ondersteuning in de wijk verankerd zit.
Van bevlogen idee naar landelijk vak
Van de Leur ziet hoe het opbouwwerk in die jaren vaak zwak voor de dag komt. Het vak mist een scherpe eigen visie op zijn inhoud en maatschappelijke betekenis, en blijft daardoor kwetsbaar. Goede bedoelingen zijn wat hem betreft niet genoeg. Wat nodig is, is een onafhankelijke landelijke organisatie voor beroepsontwikkeling.
Die kans krijgt hij dankzij Gradus Hendriks, de invloedrijke topambtenaar die jarenlang het rijksbeleid voor samenlevingsopbouw uitstippelt en die het belang van een sterke landelijke infrastructuur onderkent. In 1982 richt Van de Leur, met een bescheiden startsubsidie van 75.000 gulden, het Landelijk Platform Opbouwwerk (LPO) op.
Voor het eerst heeft het opbouwwerk een eigen landelijk ankerpunt, volledig gericht op versterking van de beroepspraktijk. Daarmee krijgt een versnipperd werkveld voor het eerst een landelijke organisatie die kennisontwikkeling, deskundigheidsbevordering en onderlinge uitwisseling systematisch stimuleert.
Van de Leur blijft er vijfentwintig jaar directeur; vanaf 1993 gaat de organisatie verder als het Landelijk Centrum Opbouwwerk (LCO). Werkend vanuit een klein Haags kantoor ontwikkelt het LCO zich tot hét landelijke kenniscentrum voor het vakgebied. Opbouwwerkers, onderzoekers, bewonersorganisaties, gemeenten en ministeries weten elkaar er te vinden. Voor Van de Leur staat één ding vast: een vak blijft alleen vitaal als kennis van het werkveld, reflectie op het vak en inzicht in maatschappelijke vraagstukken elkaar voortdurend blijven voeden.
De ijscoman en het netwerk
Wie met Van de Leur samenwerkt, treft een energieke, toegankelijke bestuurder die veel waarde hecht aan relaties, wederzijds vertrouwen en een gedeelde maatschappelijke opdracht. Die manier van werken maakt hem tot een uitzonderlijke netwerker, die zich moeiteloos beweegt tussen bewonersgroepen, welzijnsinstellingen, gemeenten, kennisinstituten en de politiek-bestuurlijke circuits.
Collega's roemen zijn strategisch inzicht: hij ziet kansen waar anderen veelal belemmeringen zien. Typerend is zijn favoriete gezegde 'de ijscoman is aan het werk als het mooi weer is' - een beeldspraak voor wie maatschappelijke kansen wil benutten. Anders gezegd: je moet handelen zodra de omstandigheden gunstig zijn, niet erna.
Tegelijk is Van de Leur opvallend nuchter. Grote ideologische verhalen boeien hem minder dan concrete resultaten. Dat verklaart zijn voorkeur voor de Probleem-Project-Methode, waarmee opbouwwerkers systematisch werken aan helder omschreven maatschappelijke vraagstukken. Analyse, planning en samenwerking zijn belangrijk, maar volgens hem telt uiteindelijk maar één ding: wat bewoners daadwerkelijk bereiken. Loopt een gekozen route dood, dan zoekt hij zonder veel omhaal een andere route. Financiering is voor hem nooit een doel op zich, maar simpelweg een middel om initiatieven van de grond te krijgen.
Een pijnlijke breuk
Rond de eeuwwisseling ontstaat binnen het LCO een felle discussie over de verzelfstandiging van een interne werkgroep, het zogeheten Landelijk Samenwerkingsverband Achterstandsgebieden (LSA). Van de Leur is van mening dat bewonersorganisaties en professionele ondersteuning onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Het LSA hoort voor hem dan ook gewoon bij het LCO.
Als het LSA zich in 2002 toch afsplitst, voelt hij dat als een persoonlijk en professioneel verlies. Tegelijk sterkt hem dat juist in het idee dat sterke bewonersorganisaties sterke professionals nodig hebben om blijvende maatschappelijke verandering voor elkaar te krijgen.
Architect achter de schermen
Van de Leurs invloed reikt verder dan zijn directeurschap van het LCO. Als medeoprichter en redacteur van vaktijdschrift MO/Samenlevingsopbouw, als drijvende kracht achter landelijke vakconferenties, als initiator van allerlei vormen van onderzoek en als pleitbezorger van een wetenschappelijke leerstoel behoort hij tot de architecten van de landelijke kennisinfrastructuur van het Nederlandse opbouwwerk. In al deze rollen streeft hij naar een hechtere verbinding tussen praktijk, beleid, onderwijs en onderzoek, zodat het vak zich inhoudelijk kan verdiepen en institutioneel sterker kan verankeren.
Voor Van de Leur is opbouwwerk altijd meer dan een setje methodieken. Het is een zelfstandige professie, die goed opgeleide vakmensen, blijvende kennisontwikkeling en een stevige maatschappelijke positie verdient. Wanneer het LCO in 2007 opgaat in kennisinstituut Movisie, heeft hij daar weinig fiducie in. Hij legt hij zich er met tegenzin bij neer, maar is bang dat het opbouwwerk binnen een brede welzijnsorganisatie zijn eigen gezicht verliest.
Een testament
In de winter van 2006-2007 krijgt Van de Leur de diagnose longkanker. Een halfjaar later overlijdt hij, 63 jaar oud. Tot het laatst blijft hij zich inzetten voor het vak waarvoor hij zijn hele werkzame leven streed. Zijn mantra - 'opbouwwerk is altijd het beroep van de toekomst geweest' - krijgt daardoor bijna de klank van een testament.
De landelijke infrastructuur waarvoor hij zich decennialang inspant, is inmiddels grotendeels verdwenen. Maar door een stevige basis onder het vak te leggen, heeft Wil van de Leur beslissend bijgedragen aan het opbouwwerk als een zelfstandige sociale professie. Hij laat zien dat een levenskrachtige democratie niet alleen wordt gedragen door politiek en bestuur, maar ook door buurten waarin bewoners zich organiseren - en door professionals die daarvoor de voorwaarden scheppen. Wie vandaag in een wijk werkt aan participatie, bouwt - vaak zonder het te beseffen - voort op het werk waaraan hij in de tweede helft van de jaren zestig begon.
Auteur: Henk Krijnen
Publicatiedatum: 28 april 2026
