Iconische buurtmakers
Wie heeft er een blijvend stempel gedrukt op de samenlevingsopbouw? Grondleggers en voortrekkers zijn belangrijk voor de ontwikkeling van een vakgebied. In deze serie, oorspronkelijk gepubliceerd op Buurtwijs, portretteert Henk Krijnen buurtmakers die op een eigenzinnige en unieke manier hun sporen hebben verdiend.
JAAP DE BRUIN
‘Waar zijn de buurthuizen?’ Het is een vraag die tegenwoordig steeds vaker klinkt. Al een eeuw geleden strijdt Jaap De Bruin met vuist en hart voor het eerste buurthuis in een volkswijk - in de Haagse Schilderwijk. Zijn werk laat zien dat een buurthuis meer is dan een gebouw. Het is een sociaal knooppunt, een plek waar waar mensen elkaar treffen, zich ontspannen, dingen bijleren en initiatieven ontplooien.
Jaap de Bruin (1896-1978) kan met recht als pionier van het buurthuiswerk in volkswijken worden aangemerkt. In het Nederland van de jaren dertig en veertig staat hij aan de basis van een praktijk die verrassend eigentijds blijkt. Buurthuizen zijn geen beleidsuitvoerende instanties, en ook geen uitstalkast van losse projecten en activiteiten. Een buurthuis is in de ogen van De Bruin geen voorziening, maar een levendige ontmoetingsplek, die verweven is met het dagelijks leven in de wijk.
Van politiek activist tot buurtmaker
Jaap de Bruin wordt in 1896 geboren in Leiden, als zoon van een schoenmaker. Opgroeiend in een arbeidersmilieu leert hij al vroeg wat armoede en ongelijkheid betekenen. Die ervaringen vormen zijn blik op de wereld. Sociale rechtvaardigheid en persoonlijke ontwikkeling - daar draait het om voor hem. Hij ziet hoe afhankelijkheid het leven van mensen kan bepalen, en ook hoe zij zich redden met weinig middelen
In zijn jonge jaren is hij actief in de communistische jeugdbond De Zaaier. Als de tegendraadse schoenmakerszoon in 1917 in zijn geboorteplaats Leiden de revolutie uitroept, kan hij niet vermoeden dat hij het na de Tweede Wereldoorlog tot ereburger van Den Haag schopt en ridder wordt in de Orde van Oranje-Nassau. De Bruin is duidelijk niet bang om tegen de stroom in te roeien. Maar een gestaald politiek activist is hij zeker niet. Werkend in de wijk ontdekt hij dat verandering niet begint bij grote woorden maar bij kleine stappen – van onderop welteverstaan.
Wantrouwen
In 1926 opent de deftige Vereeniging voor de Haagsche Jeugd een clubhuis in de Schilderswijk. Een jaar later wordt de dan 32-jarige Jaap de Bruin directeur. Tot diep in de jaren dertig is hij de enige professionele kracht.
In het deel van de buurt waar het buurthuis staat, zijn geen straten. Er zijn gleuven van 2,5 meter breed, met aan weerszijden huizen, met vaak maar één kamer. Er wonen ongeschoolde arbeiders zonder vast werk, voornamelijk dagloners en venters. Hun leefwereld is zeer klein en beperkt zich tot de ‘hofjes’ waarin zij wonen. De sociale controle hier is sterk, veel wat van buiten komt wordt gewantrouwd. De overheid wordt gehaat. Zelfs de arbeidersbeweging weet niet door te dringen tot deze buurt, ook niet de SDAP. De kerken krijgen geen voet aan de grond, de communisten een beetje.
Klappen en gekneusde ribben
Midden in deze vijandige omgeving verrijst plotsklaps een buurthuis. Dit is bijna een provocatie. In 1933 geeft De Bruin het buurthuis de naam die het nog steeds heeft: De Musschen (tegenwoordig zonder -sch). De naam verwijst naar een zwerm mussen die onderling vechten om overblijvende broodkruimels. De Bruins aanstelling blijkt een gouden greep. Hij kijkt niet neer op ‘het volk’. Doordat hij de cultuur van de volkswijk-bewoners van binnenuit kent, is het voor hem makkelijker om door te dringen tot hun leefwereld.
De Bruin spreekt de taal van de straat. Hij schuwt niet om met de jongens, die soms ook bendeleiders zijn, op de vuist te gaan. Hij loopt klappen en gekneusde ribben op, zelfs een keer een messteek. Regelmatig ook moet de inventaris van het buurthuis het ontgelden en wordt er brand gesticht.
Bouwen in de gribus
De Bruin is een volhardend man en heeft natuurlijk overwicht. Het lukt hem om steeds meer jongens het buurthuis in te krijgen. In hun voetspoor volgen de ouders, eerst de moeders, daarna - schoorvoetend - de vaders. In 1938 wordt het buurthuis ook opengesteld voor meisjes. Zij staan letterlijk te dringen bij de toegangsdeur. Via de kinderen krijgt De Bruin nauwer contact met de ouders en wint hij hun vertrouwen. Dit blijkt de sleutel voor de verdere groei en ontwikkeling van het buurthuis.
De Bruin kiest voor een andere benadering dan tot dan toe gebruikelijk. Waar veel maatschappelijk werk nog gericht is op correctie en controle, accepteert hij de mensen uit ‘de gribus’ zoals ze zijn. Geen moraliserende houding, geen poging om hen sociaal in het gareel te krijgen. Zijn persoonlijke werkmotto is veelzeggend: ‘Niet breken, maar bouwen’. Hij gaat uit van gelijkwaardigheid en respect. Ook jongeren die lastig gedrag vertonen, zijn welkom. Zij worden niet gezien als probleem, maar als onderdeel van de gemeenschap.
Het systeemloze systeem
De aanpak van ‘Meester De Bruin’, zoals hij door buurtbewoners liefkozend wordt genoemd, is innovatief. Dwars tegen de gangbare opvattingen in wil hij zijn onaangepaste branieschoppers niet omsmelten tot brave middenklasse-kinderen. Hij wil hun eigenwaarde versterken. Zijn ongecompliceerde, niet-moraliserende benadering is voor die tijd uitzonderlijk.
De Bruin gelooft in het - bijna als Montessoriaans te typeren - principe van de vrije keuze. Een voor die tijd gevarieerd activiteitenpakket, van figuurzagen, tekenen en timmeren tot gym, dansen en toneelspel, zorgt ervoor dat kinderen worden verleid om persoonlijke keuzes te maken. Het diverse aanbod in zijn buurthuis noemt hij ‘het systeemloze systeem’. Alles draait om het stimuleren van creativiteit en concentratievermogen. Om het maken van nuttige dingen ook, bijvoorbeeld speelgoed en tafels.
Wat sterk bijdraagt aan het succes is het vakantiewerk op De Veluwe. In 1937 wordt in Otterlo een eigen kampeerterrein aangekocht: Het Mussennest. Dit wordt een belangrijke steunpilaar van het clubhuiswerk in de hoogtijdagen, de jaren veertig en vijftig. De bezoekersaantallen stijgen spectaculair: in het begin komen er 125 jongens in het buurthuis, vlak voor de Tweede Wereldoorlog al gaat het om 1300 jongeren.
Nieuwe tijden
Als er nieuwe tijden aanbreken, komt De Bruins aanpak onder druk te staan. Het begint eind jaren vijftig met de opkomst van de jeugdcultuur en de tv. De Bruin is hier sceptisch over. Het oorspronkelijke clubhuiswerk komt erdoor in het gedrang, denkt hij. Maar wat hem en zijn staf sieren, is dat zij deze aversie terzijde schuiven en opnieuw proberen de jeugd aan zich te binden. Er wordt een tv in het buurthuis geplaatst en er komen dansavonden, met nozems en rock-’n-roll.
Intussen vermindert de vroegere sociale samenhang. Veel bewoners van de Schilderswijk verhuizen naar nieuwe flatwoningen in de naoorlogse wijk Den Haag Zuidwest of naar een overloopgemeente als Zoetermeer. Armoede, geweld, criminaliteit en prostitutie bepalen meer en meer het aangezicht van de wijk. Vanaf de jaren zestig bevolken nieuwe bewoners, migranten uit allerlei windstreken, de buurt.
Culturele diversiteit is vanaf dan een realiteit. De vertrouwde manier van werken van De Bruin en de zijnen wordt hierdoor op de proef gesteld. Er bestaat geen homogene sociale cultuur meer in de wijk. Hoe je het ook wendt of keert, dit is toch de kurk waarop de oude buurthuis-cultuur van De Musschen drijft. Daar komt bij dat de 24/7-mentaliteit van De Bruin niet meer past bij de professionele habitus van de nieuwe generatie buurthuismedewerkers.
De les van De Bruin
De Mussen bestaat nog steeds. Voor het grootste deel is dat eigen verdienste. Het buurthuis heeft zich steeds vernieuwd. De les die Jaap de Bruin ons leert blijft actueel: een buurthuis dient geworteld te zijn in een buurt. Een hechte band met degenen die deze voorziening het hardst nodig hebben, is onmisbaar. Die band krijg je niet cadeau, daar moet voor gevochten worden. En daar zijn bovendien standvastigheid en een professionele inzet voor nodig. Als aan die voorwaarden wordt voldaan, moet het toch geen probleem zijn om buurthuizen in de toekomst weer tot een vast onderdeel van de sociale basis te maken.
Auteur: Henk Krijnen
Publicatiedatum: 1 mei 2026
