Historisch Centrum Sociaal Werk
Zonder verleden geen toekomst
NL | EN

Iconische buurtmakers

Wie heeft er een blijvend stempel gedrukt op de samenlevingsopbouw? Grondleggers en voortrekkers zijn belangrijk voor de ontwikkeling van een vakgebied. In deze serie, oorspronkelijk gepubliceerd op Buurtwijs, portretteert Henk Krijnen buurtmakers die op een eigenzinnige en unieke manier hun sporen hebben verdiend.

Oermoeder van het opbouwwerk

JO BOER

JO BOER (Oermoeder van het opbouwwerk)

Jo Boer geldt als een van de belangrijkste pioniers van het moderne opbouwwerk. In een tijd waarin maatschappelijk werk vooral draait om verheffing en liefdadigheid, kiest zij voor een benadering die uitgaat van de kracht van gemeenschappen zelf. Het is de taak van professionals om bewoners te helpen meer invloed te krijgen op hun eigen leefomgeving. Met die visie levert zij een beslissende bijdrage aan de ontwikkeling van een vakgebied dat vanaf de jaren vijftig snel aan betekenis wint.

Jo Boer (1906-1985) is een onvermoeibaar pleitbezorger van een rustige, terughoudende en praktische benadering van opbouwwerk. Burgers moeten worden geholpen zichzelf effectief te organiseren, zich vrijelijk een mening te vormen en zelfstandig hun standpunten te verwoorden – of, als dit beter is, betrouwbare woordvoerders aan te wijzen. De persoonlijke mening van de werker doet er niet toe: nooit mag hij zijn positie misbruiken om de eigen wil op te leggen.


Een jeugd die richting geeft
Jo Boer wordt in 1906 geboren in Vierpolders, een Zuid-Hollands dorpje vlakbij Brielle. Ze groeit op in een domineesgezin waar intellectuele nieuwsgierigheid samengaat met financiële schaarste. Haar vader, vrijzinnig predikant, heeft een uitgesproken afkeer van sociale ongelijkheid. Dat vormt het morele vertrekpunt van haar latere werk.

Wanneer ze in Rotterdam een opleiding volgt in kinderzorg en opvoeding, ligt haar toekomst nog open. Een toevallige ontmoeting in de trein met Jaap Cramer verandert dat. Deze jonge sociaaldemocraat is op dat moment adjunct-secretaris van de net opgerichte Vereeniging voor den Opbouw van Drenthe. Hij vraagt haar om mee te werken. Boer grijpt de kans die haar geboden wordt. In 1930 wordt ze aangesteld als directrice van een buurthuis in Emmerschans.

Opbouw Drenthe, opgericht in het midden van de jaren twintig, geldt als de bakermat van het Nederlandse opbouwwerk. Hier wordt voor het eerst systematisch gewerkt aan de sociale, economische en culturele opbouw van gemeenschappen. Wat begint als een antwoord op schrijnende armoede, groeit uit tot een voorbeeld voor de rest van het land.


De confrontatie met de werkelijkheid
Wat ze aantreft in Drenthe is confronterend. Armoede en isolement zijn dagelijkse realiteit. De afstand tussen haar en de bevolking is groot en wantrouwen ligt op de loer. “Jij komt dus Drenthe opbouwen…”, krijgt ze te horen.

Boer kiest voor nabijheid: ze luistert, observeert en bouwt relaties op. Na verloop van tijd blijkt ze zich niet te kunnen vinden in de ideeën van Gezina Bähler-Boerma, de oprichter van het eerste Nederlandse dorpshuis in Paterswolde, en de vrouw die het beleid van de zes op dat moment in Drenthe bestaande buurthuizen bepaalt. Ze krijgt moeite met de hooggestemde beschavingsidealen van Bähler-Boerma en de maatschappelijk werksters in de dorpshuizen. De nadruk op beschaving en verheffing vindt ze te moralistisch en weinig doeltreffend. Ze komt tot een inzicht dat haar werk blijvend bepaalt: echte verandering kan niet van buitenaf worden opgelegd, maar moet van binnenuit ontstaan.


Van beschavingsdrift naar professionaliteit
De crisis van de jaren dertig versterkt dat inzicht. Werkloosheid en armoede treffen brede lagen van de bevolking. Individuele hulpverlening schiet tekort. Er ontstaat behoefte aan een vorm van sociaal werk die die de gemeenschap als geheel versterkt.

Binnen Opbouw Drenthe krijgt Boer ruimte om die nieuwe benadering inhoud te geven. Ze werkt aan ondersteuning van lokaal initiatief en aan deskundigheidsbevordering. Het werk verschuift van zelf uitvoeren naar begeleiden. Met haar Opbouw-Fordje trekt ze langs dorpen om processen te ondersteunen in plaats van oplossingen van bovenaf aan te dragen.

De traditionele, idealistische maatschappelijk werksters maken plaats voor professionals met een meer methodische aanpak. Er wordt iets nieuws van deze moderne beroepskrachten gevraagd: afstand kunnen nemen zonder betrokkenheid te verliezen, niet blijven hangen in individuele hulpverlening maar prikkelen tot gemeenschapsvorming.


Laveren in een verzuilde samenleving
Boer opereert in een sterk verzuild Nederland. Kerkelijke en maatschappelijke organisaties hebben elk hun eigen domein en sociale achterban. Ze accepteert de verzuiling als gegeven en zoekt samenwerking waar mogelijk. Opbouw Drenthe moet als neutrale intermediair, net zoals de andere net opgerichte provinciale opbouworganen, voorzichtig laveren tussen het verzuilde maatschappelijk middenveld en de (provinciale) overheid.

Na de benoeming in 1951 van Jaap Cramer tot Commissaris van de Koningin in Drenthe wordt Jo Boer algemeen directeur van de Stichting Opbouw Drenthe. De goeie ouwe tijd van het Opbouw-Fordje is voorgoed voorbij. In haar nieuwe functie komt ze nog weer wat verder van de praktijk af te staan. Ze moet opereren op bestuurlijk niveau en onderhandelen met overheden en organisaties. Dat schuurt met haar oorspronkelijke drijfveren. Ze vreest dat het werk te veel een overlegmachine wordt. Ondanks haar afkeer van bureaucratie weet ze die spanning productief te maken. Ze smeedt Opbouw Drenthe om tot een modern opbouworgaan dat schakelt tussen beleid en praktijk.


Amerika als inspiratiebron
Een belangrijke vormende ervaring voor Boer is haar studiereis naar de Verenigde Staten in 1949. Daar maakt ze kennis met ‘community organization’: een benadering waarin gemeenschappen - met steun van professionals en de overheid - zelf hun doelen formuleren en realiseren.

Die Amerikaanse werkwijze sluit naadloos aan bij haar eigen inzichten. Ze ziet dat professionals vooral een faciliterende rol hebben: niet sturend, maar ondersteunend. Terug in Nederland vertaalt ze deze ideeën naar de praktijk en legt ze de basis voor een herkenbare methodiek van het opbouwwerk.


Het handboek dat een vak definieert
In 1960 verschijnt haar belangrijkste werk: Maatschappelijk opbouwwerk. Het is het eerste Nederlandse handboek op dit terrein en markeert een keerpunt in de ontwikkeling van het vak. Boer typeert opbouwwerk als een proces waarin een gemeenschap zelfstandig haar behoeften vaststelt, prioriteiten bepaalt, middelen mobiliseert en tot actie komt. Het gaat niet om snelle oplossingen, maar om duurzame verandering - gedragen door burgers.

Centraal staat het principe van non-directiviteit. De professional mag nooit zijn eigen agenda opleggen. De opbouwwerker is tegelijk gids en ‘enabler’: iemand die richting geeft zonder te sturen. Dat vraagt om een subtiele balans. Te veel sturing ondermijnt de eigen kracht van de gemeenschap, te weinig betrokkenheid leidt tot stilstand. Het vakmanschap dat hiervoor nodig is vergt reflectief vermogen, professionele scholing en - niet te vergeten - terughoudendheid.

Voor Boer is de opbouwwerker een specialist in organisatieontwikkeling. In haar optiek is deze professional een ‘mogelijk-maker’: iemand die mensen verbindt, processen op gang brengt en voorwaarden schept voor gezamenlijke actie. Niet door kant-en-klare oplossingen aan te reiken, maar door betrokkenen in staat te stellen die zelf te formuleren. Deze denkwijze sluit goed aan bij de democratiseringsgolf van de jaren zestig.


Dorp in Drenthe
In 1975, zes jaar na haar afscheid als directeur van Opbouw Drenthe, publiceert Jo Boer haar proefschrift Dorp in Drenthe. De metamorfose tussen 1930 en 1970 van Zweelo, het dorp op de Drentse zandgronden dat zij portretteert, staat voor haar model voor de algehele ontwikkeling van het platteland. Met lede ogen - maar zonder overdreven nostalgie - stelt ze vast dat de oude dorpssamenleving aan het verdwijnen is. 

Ze houdt van de Drentse samenleving zoals die is en is beducht voor de negatieve gevolgen van schaalvergroting. Net als veel van haar tijdgenoten wil Boer de bevolking helpen om de snelle en ingrijpende veranderingen - zoals industrialisatie, verstedelijking, het grootschaliger worden van de landbouw en de opkomst van forensen in dorpen - bij te benen.


Groepsgewijze participatie
Hoewel haar ideeën later een minder prominente rol spelen, verdwijnt de relevantie ervan niet. Haar axioma - fundamentele democratisering door groepsgewijze participatie – doorstaat de tand des tijds. 

In de gedachtewereld van Jo Boer is een methodische aanpak van samenlevingsopbouw, met een herkenbare inbreng van goed-opgeleide en autonoom handelende professionals, noodzakelijk. Ze ziet geen tegenstelling tussen overheidsbeleid aan de ene kant en versterking van democratisch burgerschap aan de andere kant. Sterker nog: beleidsvorming van onderop en van bovenaf kunnen in haar zienswijze goed samengaan. Als geen ander kan de opbouwwerker beide werelden verbinden. De buurt is in haar ogen hiervoor een uitgelezen plek.

Auteur: Henk Krijnen

Publicatiedatum: 1 mei 2026

Links

Bestel nu

Moderne geschiedenis van het sociaal werk

‘Van der Lans leidt ons op een verhelderende wijze door de geschiedenis van mensen, niet alleen professionals, die werken aan een rechtvaardiger samenleving.’

Fresco Sam-Sin bij OVT