Historisch Centrum Sociaal Werk
Zonder verleden geen toekomst
NL | EN

Iconische buurtmakers

Wie heeft er een blijvend stempel gedrukt op de samenlevingsopbouw? Grondleggers en voortrekkers zijn belangrijk voor de ontwikkeling van een vakgebied. In deze serie, oorspronkelijk gepubliceerd op Buurtwijs, portretteert Henk Krijnen buurtmakers die op een eigenzinnige en unieke manier hun sporen hebben verdiend.

Minister van Samenlevingsopbouw

MARGA KLOMPÉ

MARGA KLOMPÉ (Minister van Samenlevingsopbouw)

Er is een tijd waarin de samenlevingsopbouw een eigen minister heeft. Als Marga Klompé in 1956 aantreedt als minister van Maatschappelijk Werk, is het terrein nog grotendeels onontgonnen. Vijftien jaar later is het opbouwwerk een gevestigde werksoort en ligt er een stevige sociale infrastructuur. Onder haar leiding ontstaan buurthuizen, wijkcentra en voorzieningen die het sociale weefsel van Nederland blijvend veranderen.

In een periode waarin Nederland zich razendsnel moderniseert, ziet Klompé (1912–1986) dat economische welvaart niet alleenzaligmakend is en dat sociale samenhang niet vanzelfsprekend is. Daarom maakt zij van samenlevingsopbouw een kerntaak van de overheid.


Diepgelovig en onafhankelijk
Marga Klompé is afkomstig uit een welgesteld katholiek gezin in Arnhem. Haar vader is ondernemer en actief in de armenzorg, terwijl haar moeder autonomie en kritisch denken bij haar stimuleert. Het huishouden behoort tot de lokale elite, maar wordt getroffen door tegenslag wanneer haar vader met zware psychische problemen kampt. Als gevolg daarvan valt de financiële grondslag van het gezin weg. 

Al op jonge leeftijd draagt Klompé haar steentje bij aan het gezinsinkomen door aan de slag te gaan als scheikundelerares, werk dat ze combineert met een academische studie. In 1941 promoveert zij in de scheikunde. Die combinatie van intellectuele vorming, sociale betrokkenheid en persoonlijk verantwoordelijkheidsgevoel tekent haar verdere leven. Ze ontwikkelt zich tot een zelfstandige en analytische denker, met een scherp oog voor maatschappelijke verhoudingen.

Haar katholieke opvoeding vormt haar in sterke mate, maar maakt haar niet braaf en volgzaam. Die spanning blijft typerend: ze voelt zich verbonden met de katholieke traditie, maar verzet zich tegen bekrompenheid en uitsluiting. Zo spreekt ze zich uit tegen het bisschoppelijk mandement van 1954, dat katholieken contact buiten de eigen zuil verbiedt. Juist de mengeling van religieuze gedrevenheid en onafhankelijkheid maakt haar tot een markante persoonlijkheid in de naoorlogse politiek.


Betekenisvolle oorlogservaringen en doorbraak in de politiek
De Tweede Wereldoorlog is een cruciale fase in haar persoonlijke ontwikkeling. Klompé raakt betrokken bij het verzet en staat vooraan bij het bieden van hulp aan burgers. In die jaren ontdekt zij haar talent voor organiseren en coördineren, terwijl ook haar maatschappelijke betrokkenheid groeit. De opgedane oorlogservaringen scherpen haar in het besef dat een samenleving pas optimaal kan functioneren als mensen zich actief voor elkaar inzetten. Die overtuiging wordt leidend in haar latere politieke werk. 

Na de oorlog raakt Klompé betrokken bij de politieke vernieuwing in ons land. Ze pleit voor meer samenwerking tussen de verschillende levensbeschouwelijke groepen en voor een grotere rol van vrouwen in de politiek. In 1948 wordt ze Kamerlid voor de Katholieke Volkspartij. Al snel maakt zij naam als excellent parlementariër, met een voorkeur voor sociale vraagstukken en internationale politiek. Haar talent blijft dan ook niet onopgemerkt. In 1956 wordt ze de eerste vrouwelijke minister in ons land, op het ministerie van Maatschappelijk Werk.


Een nieuw ministerie op de kaart

Als Klompé haar taak aanvat, is het ministerie klein, versnipperd en weinig invloedrijk. Het beschikt nog niet over een vanzelfsprekende positie binnen het overheidsapparaat en moet zijn belang in politiek en bestuur telkens opnieuw bewijzen.

Klompé weet daarin verandering te brengen door het ministerie een duidelijke koers te geven, het beleidsterrein scherper af te bakenen en de waarde van maatschappelijk werk en opbouwwerk met kracht naar voren te brengen. Onder haar leiding groeit het uit van een betrekkelijk marginaal onderdeel van de overheid tot een ministerie dat richting geeft aan de opbouw van de verzorgingsstaat. Zo weet zij het ministerie niet alleen steviger op de kaart te zetten, maar ook inhoudelijk meer gewicht en gezag te geven.


Van hulpverlening naar samenlevingsopbouw
In de jaren vijftig verschuift de aandacht van individuele hulpverlening naar een meer collectieve aanpak. Het maatschappelijk opbouwwerk ontstaat als nieuwe werksoort, met als kerntaak het versterken van gemeenschappen. Klompé speelt een sleutelrol bij deze beleidsomslag. 

Ze ziet het opbouwwerk als een van de belangrijkste opdrachten van haar ministerie. Onder haar leiding wordt het concept verder uitgewerkt en verbonden met beleid. Ze stimuleert onderzoek, opleiding en methodiekontwikkeling en zorgt voor financiële ondersteuning. Het resultaat is dat het opbouwwerk zich kan ontwikkelen tot een zelfstandige professie, met een eigen plek in het sociale domein.


Samenlevingsopbouw als kern van beleid
In de jaren zestig verandert het denken over welzijn. Naast materiële welvaart komt het belang van sociale en culturele ontplooiing op de voorgrond te staan. Klompé speelt actief in op deze maatschappelijke verschuiving. Ze introduceert het begrip samenlevingsopbouw als overkoepelend concept voor het werken aan sociale samenhang. In haar visie is dit een actief proces: het mobiliseren van bewoners, het stimuleren van participatie en het versterken van lokale gemeenschappen.

Ze zegt het in heldere bewoordingen: samenlevingsopbouw is gericht op het activeren van dorpen, wijken en streken, zodat bewoners zelf bijdragen aan het beleid en aan de verbetering van hun leefomgeving. Deze benadering maakt de buurt tot een centraal werkterrein.


Investeren in sociale infrastructuur
Onder Klompé breidt de sociale infrastructuur van Nederland zich in hoog tempo uit. Overal verrijzen buurthuizen, wijkcentra, bibliotheken en andere sociaal-culturele voorzieningen. Opbouwwerkers en maatschappelijk werkers trekken samen op in buurten en dorpen, vaak met het buurthuis als uitvalsbasis. Deze investeringen staan niet op zichzelf, maar vormen de fysieke en organisatorische basis van de samenlevingsopbouw.

Daarnaast wordt een kennisinfrastructuur opgebouwd, met instellingen voor onderzoek en opleiding. Het Nederlands Instituut voor Maatschappelijke Opbouw speelt hierin een vooraanstaande rol. Met de invoering van de Rijkssubsidieregeling in 1971 bereikt dit proces zijn hoogtepunt. Samenlevingsopbouw is dan stevig verankerd in beleid en praktijk.


De verzorgingsstaat in de steigers
In deze periode wordt het ministerie een belangrijk onderdeel van de snel uitdijende verzorgingsstaat. Klompé draagt bij aan een ingrijpende politieke paradigmawisseling: van liefdadigheid naar recht. De Bijstandswet, één van haar belangrijkste prestaties, maakt een einde aan de vernederende armenzorg en introduceert bijstand als recht voor iedere burger.

Deze verschuiving past in haar bredere visie op de rol van de overheid. Ze vindt dat de overheid moet ingrijpen wanneer het maatschappelijk middenveld tekortschiet. Maar dit moet wel altijd gebeuren met de bedoeling om de eigen verantwoordelijkheid van burgers te stimuleren.


Spanningen en veranderingen
Aan het eind van de jaren zestig kantelt het maatschappelijke klimaat. Kritiek op de consumptiemaatschappij neemt de overhand. In confessionele kringen is er bezorgdheid over het toenemende individualisme.

Klompé ziet het gevaar van ‘geestelijke armoede’ en pleit voor meer betrokkenheid van burgers bij publieke zaken. Ze benadrukt het belang van participatie en democratisering. Tegelijkertijd neemt de schaal van beleid en organisatie toe. Het ambtelijk apparaat breidt zich sterk uit en de verzorgingsstaat bereikt een hoogtepunt. Dit proces bevat ook de kiemen van latere kritiek: overheidsbureaucratisering en grotere afstand tot de burger.


Politiek afscheid en nalatenschap
In 1971 verlaat Klompé onverwacht de actieve politiek. Ze kiest bewust voor een niet-politieke rol en richt zich op kerkelijk en maatschappelijk werk. Haar invloed blijft echter groot. De structuren die onder haar leiding zijn opgebouwd, vormen nog decennialang het fundament van het sociale domein. Misschien nog belangrijker is haar visie: een samenleving waarin burgers actief betrokken zijn en waarin de overheid voorwaarden schept voor samenwerking en participatie.

Haar grootste verdienste is wellicht dat zij zich losmaakt van de traditionele tegenstelling tussen overheid en particulier initiatief. Naar haar mening vraagt een sterke samenleving om samenwerking tussen beide, met actieve burgers in het middelpunt. Daarmee is Klompé niet alleen een bepalende kracht in het Nederlandse sociaal beleid, maar ook een van de belangrijkste buurtmakers op nationaal niveau.

Marga Klompé speelt een doorslaggevende rol in de vormgeving van de samenlevingsopbouw in Nederland. In haar 12-jarig ministerschap schept zij de voorwaarden waaronder de samenlevingsopbouw een dragende kracht in de Nederlandse samenleving kan worden. Zij maakt van een klein en nog weinig uitgekristalliseerd beleidsterrein een kernonderdeel van de verzorgingsstaat. Door te investeren in voorzieningen, kennis en professionalisering staat ze aan de wieg van het buurtgericht werken zoals we dat nu kennen.

Auteur: Henk Krijnen

Publicatiedatum: 1 mei 2026

Bestel nu

Moderne geschiedenis van het sociaal werk

‘Van der Lans leidt ons op een verhelderende wijze door de geschiedenis van mensen, niet alleen professionals, die werken aan een rechtvaardiger samenleving.’

Fresco Sam-Sin bij OVT